Tijdens de Eerste Toog werden door de politie liefst 33 illegalen van Zuid-Amerikaanse origine opgepakt. Een 20-tal werden ter beschikking gesteld van de Dienst Vreemdelingen. Zij werden naar vijf centra overgebracht. Onder de groep textielverkopers waren er 10 kinderen bij, evenals een vrouw en een baby. Allen konden geen geldig visum voorleggen of waren niet in het bezit van geldige documenten. Ook konden zij geen leurhandelskaart voorleggen. De groep was met zes bestelwagens vol met kledij en textiel naar Geraardsbergen gekomen. Zij verbleven vroeger in de grootsteden Antwerpen en Brussel. Meestal werken zij in opdracht van anderen.